top of page
  • Ignaas Devisch

Ook instellingen doen aan ‘deugdpronken’


Studenten bezetten de Blandijn-campus in Gent om de universitaire overheid aan te zetten tot meer klimaatactie.
Studenten bezetten de Blandijn-campus in Gent om de universitaire overheid aan te zetten tot meer klimaatactie. — © belga

Organisaties, bedrijven en publieke instellingen voelen steeds meer druk om positie te kiezen in politieke en maatschappelijke hang­ijzers zoals duurzaamheid, diversiteit of internationale conflicten als die in Gaza. Criticasters betwisten hun recht op neutraliteit en beschouwen het als een vorm van onverschilligheid en zelfs medeplichtigheid. Ook wie zich niet uitspreekt, kiest partij, luidt hun redenering. Dat is een opvallende wending in het publieke debat.


Een tijdlang leek het nochtans vrijblijvend, zich uitspreken over maatschappelijke kwesties. Ten slotte was er eind vorige eeuw voorspeld dat het tijdperk van de grote ideologieën voorbij was, zodat we stilaan politiek zouden inruilen voor management. Geef individuen voldoende vrijheid zodat ze de hen aangeboden kansen kunnen omzetten in persoonlijke emancipatie en klaar is kees, luidde de mantra. In de gelijkschakeling van alle ideeën werd vervolgens diversiteit ontdekt als het ultieme maatschappelijke glijmiddel. Als iedereen anders is op zijn of haar manier, is niemand superieur aan anderen en kan iedereen in naam van tolerantie doen wat die wil. Gewiekste spelers op de vrije markt hadden dat snel door en produceerden gadgets zoals de smartphone, waarmee individuen waar ook ter wereld hun unieke andersheid konden bijeen liken.


Toch liep het niet zoals men dacht. Bij nader inzien kennen tolerantie en vrije meningsuiting duidelijke grenzen. Niet iedereen heeft bovendien goede bedoelingen. Vooral het fundamentalisme toonde toen aan dat moreel pluralisme en tolerantie maar werken zolang iedereen ze onderschrijft. Zodra dat niet meer het geval is, gaat dit ideaal aan zijn ambitie ten onder en slaat de tolerantie om in negativiteit. Dat had Carl Schmitt begin twintigste eeuw door toen hij schreef: “Wie mensheid zegt, wil bedriegen.” Als we bijvoorbeeld geweldplegers als onmensen of beesten omschrijven, duwen we hen in naam van humane vooruitgang uit de orde van de menselijkheid.


De Duitse filosoof Hegel omschreef die keerzijde als het probleem van de ‘schone ziel’. Die wil zich over alles uitspreken om diens moral high te etaleren. Denk aan de deugdpronker op sociale media.


Een schone ziel wil vooral vóór iets zijn, maar nergens tegen. Uit schrik zijn morele zuiverheid te verliezen, houdt die zich daarom ver weg van alle kwaad in de buiten­wereld. Wie zich echter over politieke kwesties uitspreekt, zal vroeg of laat de schone ziel moeten prijs­geven. Politiek is niet te herleiden tot de handhaving van politieke correctheid. Wie voor iets is, is onvermijdelijk ook tegen iets. Dat is een lastige opgave en het is niet toevallig dat onze instellingen of bedrijven daarmee worstelen. Het ideaal van tolerantie botst immers met de onmogelijkheid niet politiek te zijn. Denk aan Gaza en politici die zeggen alleen aan de kant van de slachtoffers te staan. Die positie eindigt onvermijdelijk in trivialiteit. Iedereen evenveel slachtoffer noemen en hen steun verlenen zonder de daders aan te duiden, is uiteindelijk nietszeggend. Idem voor onze universiteiten die worstelen met hun positionering tegen de oorlog in Gaza. Je kunt wel oproepen tot ‘durf denken’, maar vroeg of laat moet men ongemakkelijk erkennen dat ook daar grenzen aan zijn en de inclusieve gemeenschap van durvers zichzelf vastrijdt op het snijpunt van moraliteit en politiek.


Dat instellingen over hun moralisering struikelen, is niet eens een slechte zaak. We kunnen maar beter erkennen dat we, zodra we publieke standpunten innemen, zelf aan politiek doen en niet vrij zijn van ideologie zodat er ook plaats is voor ideologiekritiek. Erkennen dat je tegen grenzen aanbotst, maakt daar deel van uit. Zodra je één vlag uithangt, zoals die van Oekraïne, is het wachten op de vraag waarom je andere vlaggen niet laat wapperen. Maar alle vlaggen uithangen lukt ook niet. Want ja, er zijn soms inderdaad daders en slachtoffers, en hoe moet dat dan?


Opnieuw is er een analogie met het debat over tolerantie eind vorige eeuw. Toen was de discussie of instellingen alle levensbeschouwelijke symbolen moesten toelaten, of juist geen enkele. Een redenering uit het ongerijmde volstaat om te beseffen dat je nooit aan de eerste voorwaarde kan voldoen. Er zal altijd een symbool zijn dat je niet hebt ‘geïncludeerd’.

Met die les in gedachten doen instellingen er goed aan zich de fundamentele vraag te stellen welke politieke en maatschappelijke positie ze willen innemen vooraleer ze publiekelijk met hun morele zuiverheid staan te pronken. De samenleving is wakker genoeg om elke vorm van inconsequentie genadeloos aan de publieke schandpaal te nagelen.


6 weergaven
bottom of page