• Ignaas Devisch

Ik denk, dus het is


Donald Trump: Descartes kan nog wat van hem opsteken. © afp

In zijn onnavolgbare stijl gaf ­ex-president Donald Trump vorige week bij nieuwszender Fox News nog maar eens een staaltje van zijn idiosyncratische wereldbeeld. In de rechtszaak over de ­geclassificeerde staatsdocumenten die hij onwettig meenam naar zijn buitenverblijf in Mar-a-Lago, betwistte hij de aanklacht met het argument dat hij die documenten persoonlijk heeft gedeclassificeerd. Bij navraag naar de betrokken proce­dure luidde zijn antwoord dat een president ‘iets kan declassificeren door te zeggen dat het gedeclassificeerd is en zelfs door er gewoon aan te denken’. Zelfs Vladimir Poetin bakte ze in zijn veelbesproken toespraak over een ­gedeeltelijke mobilisatie niet zo bruin. In tegenstelling tot de immer kwieke Trump lijkt de Russische president stilaan moegetergd en beperkt hij zich tot een fletse herhaling van zijn flagrante leugens. Was het niet van zijn moord­dadige beleid, je had bijna met hem te doen.


De uitspraken van Trump zijn grotesker en in zekere zin ook raadselachtiger dan Poetins saaie speech en niet alleen door het laatste stuk van zijn antwoord. In het eerste deel beweert hij dat de macht van een president dermate ver­reikend is dat alles wat hij zegt per definitie ­realiteit wordt. Dat is een boude stelling, maar Trump heeft zich natuurlijk vier jaar lang navenant gedragen. De doorgedreven ontkenning van de realiteit kenmerkte zijn ambtstermijn van bij het prille begin. Al bij zijn inaugu­ratie zat het er bovenarms op toen uit de beelden bleek dat de publieke ­opkomst tegenviel en Trump veel minder volk op de been wist te brengen dan Obama bij zijn inauguratie. Meteen daarna beschuldigde hij de media van fake news en dat is hij blijven doen.

Trump heeft geen last van de werkelijkheid, laat staan dat hij aan zichzelf twijfelt

De volgehouden ontkenning van zijn verkiezingsnederlaag ligt helemaal in dezelfde lijn. Nu doet hij er echter nog een schepje bovenop, want het tweede deel van zijn repliek suggereert dat het voor een president – enfin, toch minstens voor Trump – volstaat aan iets te denken om die gedachte ook de status van werkelijkheid toe te kennen. Het Duitse idealisme van Hegel en Fichte had wel als uitgangspunt dat de ideeën primeerden op de werkelijkheid – vandaar de term idealisme – maar dan ­alleen in die zin dat we de evolutie van de wereld op die manier moesten ­begrijpen.


Laten we Trump vooral niet de eer gunnen dat we hem als een denker ­beschouwen, maar zijn uitspraak is in ­zekere zin het meest letterlijke idealisme dat we ons kunnen voorstellen: de gedachte aan iets verheft het tot realiteit. Origineel is het wel, maar zijn schichtige poging een rechtszaak te ontlopen getuigt toch vooral van ­uitzichtloosheid. Nu hij geen kant meer op kan, is de enige optie die hem nog rest, zijn dromen voor werkelijkheid te ­nemen.


Hij verzint er als het ware een tweede werkelijkheid bij door te doen wat zelfs Descartes niet vermocht: vanuit het ­eigen denken een brug maken tussen de gedachten en de wereld. Zoals ­bekend was Descartes in de zoektocht naar zekerheid gaan twijfelen aan het eigen bestaan, om daarna onmis­kenbaar vast te stellen dat hij, terwijl hij aan het twijfelen was, wel degelijk moest bestaan. Daarmee had hij alleen het bewijs voor de eigen existentie geleverd, met de beroemdste oneliner uit de geschiedenis van de filosofie tot gevolg: ik twijfel, dus ik denk, dus ik ben. Maar wat dan met de wereld? Voor Descartes was dat een lastige klip om te nemen. Niet voor Trump, want voortaan luidt het adagium: ik denk, dus het is.


Onwillekeurig verwijst die gedachte vooral naar wat Immanuel Kant schreef in Versuch über die Krankheiten des Kopfes (over de ziekten van het hoofd). In dat traktaat wou Kant een classificatie opmaken van geestesziekten. Daarbij oppert hij de vraag of er wel normale mensen ­bestaan en hoe ze zich onderscheiden van de waanzinnigen of gekken. Immers, ook de niet-gekken onder ons hebben allemaal weleens dromen gehad die zij naar hartenlust toevoegden aan hun ­empirische belevingen. Het grote verschil tussen de waanzinnige en de normale mens is dat bij die laatste de ­inbeeldingen voorbijgaan en die persoon het onderscheid tussen fantasma en zintuiglijke gewaarwording blijft maken. De waanzinnige verwart die twee ordes met elkaar en laat ‘gezonde gedachten’ infiltreren door een imaginaire wereld, aldus Kant.


Trump heeft geen last van de werkelijkheid, laat staan dat hij aan zichzelf twijfelt. In zijn beleving moet de wereld zich aan hem aanpassen. Misschien vragen we ons in het licht van Kants ­bedenkingen over zoveel jaar af of zijn presidentschap wel echt heeft plaatsgevonden, of eerder imaginair is geweest. Tot nader order hangt Trumps politieke en maatschappelijke erfenis ergens in het zwerk, samen met zijn gedachten. Het staat vast dat de man in kwestie zijn plaats in de geschiedenis heeft verworven. De vraag blijft in welk boek we hem later zullen citeren: een politiek overzichtswerk of een handboek psycho­pathologie?


Terug


27 weergaven