top of page
  • Ignaas Devisch

Een deontologische code alleen volstaat niet


Het federale parlement.
Het federale parlement. Foto: Nick Somers

De federale ministerraad keurde vorige week een omzendbrief goed. Die introduceert een deontologische code waaraan de ministers en staatssecretarissen zich voortaan moeten houden. Het betreft een opsomming van principes, richtlijnen en gewoontes over het ministerieel handelen, zoals de regulering van belangenconflicten. Voorts bevat de code een opvallende passus over loyaliteit. Daarmee sluit de federale regering aan bij een behoefte die veel instellingen vandaag ervaren: de explicitering van het kader van waaruit je verondersteld wordt (integer) te handelen. Zeker in de politiek is het risico op belangenconflicten en gesjoemel groot en het is goed dat men daarover meer duidelijkheid schept. Hoe meer transparantie, hoe beter.


Maar de code ambieert meer. Ze vertrekt van enkele algemene grondbeginselen – gelijkheid, waardigheid en gerichtheid op algemeen belang – om vervolgens over te gaan tot de beschrijving van gedragsregels die op hun beurt omkaderd worden met waarden en principes. Mooi, maar daarmee is het werk niet af, want elke code staat of valt met de afdwingbaarheid ervan. Immers, welke instantie kan garanderen dat bij mogelijke malheuren de code afdwingbaar is?


Een ethische code is doorgaans een ideële beschrijving van een betere wereld. De opgave luidt steevast: hoe dicht je de kloof tussen de bestaande realiteit en de meer wenselijke situatie? De code van de federale regering appelleert vooral aan de persoonlijke ethiek van onze excellenties, maar er is weinig toelichting over de naleving ervan. Wat zal dan gebeuren als sommigen de afspraken naast zich neerleggen? Zoals we zien aan andere instellingen – denk aan de problematiek van grensoverschrijdend gedrag aan onze universiteiten – is zelfcontrole niet makkelijk. Veel heeft te maken met het feit dat mensen betrokken partij zijn of te dicht bij bepaalde dossiers staan, waardoor ze geen onafhankelijk oordeel kunnen uitspreken of niet de bevoegdheid krijgen dat te doen. De omzendbrief vermeldt dat ieder probleem bij het toepassen van de code ‘ter attentie van de eerste minister kan worden gebracht en deze het betrokken regeringslid steeds kan horen’. Je zou denken dat dat nu al het geval is, maar wat voegt de code dan toe? En wat als de eerste minister zelf onderwerp van discussie is? Die zaken zijn duidelijk nog niet afgesproken en dat maakt het troebel. De code laat open hoe en of ze wordt nageleefd en er is geen duidelijk mandaat gegeven aan een onafhankelijke instantie. Zo stipuleert de omzendbrief dat de Federale Deontologische Commissie een advies kan uitbrengen, maar er staat nergens dat ze dat zal of moet doen en hoe bindend die adviezen zullen zijn.


Vervolgens loopt de code in de valkuil van wel meer ethische codes: de principes zijn zo algemeen dat je er niet kunt tegen zijn, en dat is precies het probleem. Welke minister zal zichzelf nu omschrijven als onverantwoordelijk? Welke politici zullen openlijk pleiten tegen het algemeen belang? Die kernwaarden zouden al sinds lang deel moeten uitmaken van de politieke cultuur, maar doen dat niet of onvoldoende. In de politieke wereld wisselen de coalities voortdurend en je vriend van gisteren kan morgen je vijand zijn. Dan kan een code alleen impact hebben als ze afdwingbaar is. Want natuurlijk zal elke minister zeggen het algemeen belang te verdedigen. Maar wie zal beoordelen of dat het geval is?

Tot slot staat op geen enkele manier beschreven hoe men die code zal hanteren als een instrument in het dagelijkse regeringsbeleid. Het valt te vrezen dat die code ergens in een mooie lijst aan de muur van Wetstraat 16 zal hangen en dat na twee maanden niemand er nog naar kijkt. Ethische codes werken maar als ze een levend instrument vormen in het hart van een instelling. Zoniet blijven ze dode letter. Daarom is de deontologische code van de federale regering een goeie aanzet, maar er is meer nodig dan wat voorligt om het verschil te kunnen maken en politici tot een nieuwe politieke cultuur te motiveren.


Ik beeld me zomaar in dat bij een of ander interview met een minister een half kritisch woord valt over de beslissing van diens collega. Het zou me verbazen mocht dat aanleiding geven tot een ontslag. Eerder zal er een discussie losbarsten over de vraag wat openlijke kritiek is en waarom een kritische overweging daarbuiten valt. Waarna de regering zal beginnen te discussiëren over de echte betekenis van de deontologische code en er vermoedelijk niet zal uitraken omdat de code vrij generiek is beschreven.


Met ethische codes is het dus zoals met huwelijken: het echte werk begint maar na de ondertekening van het contract.


7 weergaven
bottom of page