De kiezer, een grillige klager

October 17, 2018

 

We zijn er weer kwaad op geweest. Op wie? Op onze politici. Struin wat forums af, spreek met mensen op straat of drink een pint in het café om de hoek: de politiek is het mikpunt van ergernis, woede en hoon. De hobbyist die clichés verzamelt over politici, mag een broertje dood hebben aan werken, de gemeenplaatsen komen als vanzelf aangevlogen: sjoemelaars, zakkenvullers, leugenaars, bende ruziemakers, klojo’s. Moet je niet langzamerhand goed gek zijn om een politiek mandaat op te nemen? Dan ga je van deur tot deur om te weten wat er écht leeft, luister je jezelf doof en nog is het niet goed genoeg.

 

Waarom is dat zo en hoe komt het dat veel bewindsvoerders daar geen vat op krijgen? Politiek bestaat grofweg uit twee zaken: beheer en verbeelding. Te beginnen met beheer. De dingen moeten draaien. Er moeten wegen en bruggen zijn, elektriciteit en water, ziekenhuizen die ons gezond maken, rechtbanken die niet krom spreken, bewoonbare huizen en pleintjes waarop we elkaar kunnen zoenen in de herfstzon. De verwachtingen daaromtrent zijn even sterk toegenomen als de mogelijkheid ons ongenoegen te ventileren wanneer het misloopt.

 

Uiteraard is een kritische blik op het politieke schouwtoneel inherent aan een gezonde democratie. De verleiding om van de vleespotten te smikkelen, zal er altijd zijn. Ook de afgelopen vier jaar zijn er helaas veel schandalen geweest. Nog meer transparantie en controle moeten dit tegengaan. Elke malversatie is er een te veel en daarin mag de politiek gerust het goede voorbeeld geven. Als we armer worden, terwijl we eten en naderhand blijkt dat op andere plaatsen gretig gegraaid wordt, is de ratio in het stemhokje logischerwijze zoek. Herman Van Rompuy herinnerde ons vorige donderdag in De afspraak nog aan een belangrijk inzicht: vertrouwen komt te voet, maar verdwijnt te paard.

 

Boven op de garantie van rationeel en goed beheer van de dingen des levens is politiek een door verbeelding aangedreven machinerie. Politici dragen de loodzware last te moeten waarmaken wat we ogenschijnlijk zelf niet meer kunnen: gelukkig zijn. Johan Verminnen zong het al: ‘Geef ons iets, geef ons iets, iets om nog in te geloven.’ Verkiezingen gaan telkens opnieuw daarover: de hoop op een beter leven of de ontgoocheling over het uitblijven ervan. Wie in het kader daarvan niets belooft, raakt niet verkozen. Wie te veel belooft, zal onvermijdelijk teleurstellen. Eenvoudig is politiek niet. Kiezers zijn een grillige diersoort geworden.

 

Wie vandaag verkozen wil raken, moet boven alles emotioneel bekwaam zijn. Ook geloofwaardigheid en standvastigheid helpen, maar bieden geen garantie. Een goed bestuurder moet ons weten te raken op die plaats waar het vastzit in onszelf. En vervolgens oplossingen aanreiken. Want als later blijkt dat de lucht alleen gebakken was, zoekt de deceptie onvermijdelijk zijn weg via minder fris ruikende afvoerkanalen: Donald Trump, Viktor Orban, Geert Wilders. Woede is een – weliswaar stekelige – vorm van engagement die gedreven is door de hoop dat het beter kan. Politici moeten daarom bereid zijn te blijven staan op de plaats waar mensen hun ontgoocheling de wereld in schreeuwen.

 

Tegelijk kunnen we als burger best wat zelfreflectie gebruiken. Politici moeten alles oplossen waartoe wij zelf niet in staat zijn, en ondertussen pakken we graag uit met de mate waarin we erin slagen de belastingen te ontduiken. Of denk aan de stemplicht. Dagelijks claimen we ons recht op vrije meningsuiting, maar elke zoveel jaar één keer je mening moeten geven blijkt voor sommigen een ondraaglijke last die qua bron van lijden in de buurt komt van de verwoestende zwavelregens uit het Bijbelse Sodom en Gomorra.

 

Waarschijnlijk loopt er minder fout dan vroeger, maar klagen we er meer over, omdat we lijden aan wat de Duitse theoloog en filosoof Odo Marquard omschrijft als de wet van de toenemende ergernis: hoe beter het gaat met ons, hoe minder we verdragen dat er nog iets fout loopt. Zo verkrijgen relatief beperkte problemen – zoals een circulatieplan – een buitenproportionele dimensie. Anders gezegd, hoe meer er wordt geluisterd, hoe luider de klacht dat we niet gehoord worden. Klagen is in zekere zin ook bevrijdend. Terwijl we mopperen over het falen van anderen, kunnen we even wegkijken van het eigen gesukkel met het leven.

 

Samen met de divan bij de psychiater is politiek dé plaats geworden om ons hart te luchten. Blijkbaar bestaan er weinig mogelijkheden of plaatsen om iets te vertellen aan elkaar. Of hebben wij met z’n allen het gevoel dat niemand nog echt naar ons luistert? Want wat anders is dat al met al massale gemekker over dé politiek behalve één langgerekte verzuchting om gehoord te worden? Botsen we daarmee niet op een opmerkelijke paradox? Nog nooit is er zoveel gebabbeld als vandaag, maar aan spreken komen we blijkbaar niet (meer) toe.

 

Terug

 

Share on Facebook
Share on Twitter
Please reload