Het postmodernismedebat: Zelfkritiek is nog geen zelfhaat

March 23, 2018

Samen met cultuurmarxisme is postmodernisme zowat het meest verkeerd geciteerde begrip van de afgelopen jaren. En dat is niet onschuldig. Onlangs was het weer zover: Dries Van Langenhove, de jonge bezieler van Schild & Vrienden, voert postmodernisme in De Morgen op als een soort Mefistofeles van onze tijd: mensen met een postmodern gedachtegoed zouden ‘alles willen vernietigen waar onze beschaving voor staat. Inclusief de schoonheid’. Totale nonsens, maar het past wel in de cultuurstrijd die vanuit nieuwrechtse bewegingen aan de gang is. Een technisch-filosofisch debat is daarmee een politieke zaak geworden.

 

Postmodernisme, oorspronkelijk een filosofische stroming, is mede door dit soort van ongefundeerde kritieken van alles en nog wat gaan betekenen. De vele critici citeren bovendien geen auteurs. Dat is lekker handig om kritiek te ont­lopen. Als er toch namen vallen, zijn die bovendien twijfelachtig. Zo wordt Michel Foucault al te makkelijk opgevoerd in deze context, terwijl er betere voorbeelden zijn, zoals Jean-François Lyotard. Zijn bekendste stelling in De postmoderne conditie is dat de grote verhalen verdwenen zijn en dat we moeten leren leven met een verbrokkelde wereld waarvan we het totaal­inzicht missen. Van Jacques Derrida, die andere verguisde postmoderne denker, onthouden we het bekende woord ‘deconstructie’. Daarmee ging hij de geschiedenis van de filosofie te lijf om er hiaten in te ontwaren die wijzen op ons structurele onvermogen om het klassieke project van de wijsbegeerte – een volkomen correspondentie tussen onze kennis en de wereld – tot een goed einde te brengen.

 

Dat blijven zinvolle inzichten. Zeker, we kunnen lachen met enkele onlees­bare boeken die in hun kielzog het licht hebben gezien. Maar dat die hebben aangezet tot zelfhaat, is manifest onwaar. Het klopt dat ze de zelfkritische geste die in het Westen allang centraal stond verder hebben doorgedreven. En bijgevolg ook de uitwassen van de verlichting kritisch benaderden. Pretendeerde de verlichting niet vooral dat de rede ons van de duisternis en het geweld van de religie zou verlossen? Theodor Adorno en Max Horkheimer hadden in De dialectiek van de verlichting uit 1944 ook die bedenking gemaakt: hoe moet het verder met de verlichting na de Holocaust? Een meer dan terechte vraag die ook vandaag op zijn plaats is: als we onze waarden en normen verdedigen, over welke waarden spreken we dan nog?

 

Zelfkritiek is de hoogste verworvenheid van onze cultuur. Het onderscheidt ons van de fundamentalist die al te zeker is van zijn model voor een betere wereld. Daarnaast is kritiek de motor van wetenschappelijke en maatschappelijke vooruitgang en kan het ons behoeden van te gemakzuchtige waarheidsaanspraken of zelfverheerlijking. Doen alsof die kritische ingesteldheid heeft geleid tot zelfhaat, lijkt verdacht veel op wat men het postmodernisme verwijt: een flou artistique in de omgang met begrippen en betekenissen.

Nochtans is de inzet van het debat allerminst filosofisch van aard. Achter de verwensingen gaat een politieke agenda schuil: door zelfkritiek te hertalen als zelfhaat, lijkt het dat we onze waarden moeten verdedigen omdat ze onder druk zouden staan. Wie hier vragen bij stelt, is dan meteen een relativist of een zelfhater die de ondergang van zijn beschaving in de hand werkt. Zeker, identiteit mag een positieve invulling krijgen en een cultuur heeft recht op eigenheid. Maar het politieke opbod over een robuuste identiteit in Europa en daarbuiten stemt tot nadenken. Blijkbaar moeten we nu alleen nog trots zijn op onze identiteit, is patriottisme opeens een deugd geworden en delen we de wereld opnieuw vlotjes op in wij en zij. Misschien is dat laatste onvermijdelijk, maar net daarom is het hard nodig ons eraan te herinneren hoe het politieke misbruik van categorieën als identiteit tot behoorlijke excessen heeft geleid. Mag ik nog even de Balkanoorlogen in herinnering brengen? Of enkele kritische vragen stellen bij de slogan ‘Amerika voor de Amerikanen’? Of is ook dat een vorm van zelfhaat?

 

Uiteraard moeten we het postmodernisme op zijn merites taxeren. Zo klopt het dat je met deconstructie alleen geen wereldbeeld opbouwt. Maar dat het postmodernisme onze beschaving zou kapotmaken, is een buitenissige stelling zonder substraat. Zoveel invloed hebben enkele doorgaans als duister omschreven filosofen niet gehad. Ik hoef het bovendien niet eens te zijn met alles wat Lyotard of zijn kompanen hebben geschreven om enkele bruikbare ideeën uit hun geschriften te halen. Maar dan moet je wel de moeite doen om ze te goeder trouw te lezen.

 

Laten we de term postmodernisme beperken in gebruik en het belang van zelfkritiek niet vergeten tussen al die oproepen tot verdediging van onze waarden door. In dit kader is het goed onszelf te herinneren aan de ironische waarschuwing van Umberto Eco: ‘We moeten oppassen dat we het postmodernisme niet bij Socrates laten beginnen.’ Zo niet wordt straks elke kritische vraagstelling over onze cultuur als postmodern en dus verdacht bestempeld. Pas dan zou er van onze identiteit niets meer overblijven.

 

Terug

Share on Facebook
Share on Twitter
Please reload