Het postmodernismedebat (2): Met kritiek zijn we nooit klaar

March 23, 2018

 

Ignaas Devisch weerlegt de bewering dat het postmodernisme een ideologie is die de verkiezing van Trump mogelijk maakte.

 

In hun reactie op mijn stuk valt vooral op hoezeer Maarten Boudry en Steije Hofhuis niet op mijn stuk reageren (DS 21 maart). Ze herhalen grotendeels een opiniestuk dat in oktober vorig jaar in NRC verscheen en orakelen de grootste clichés over postmodernisme die je op elke doordeweekse blog kunt terugvinden. Dat doet geen grondige lectuur vermoeden van het werk van Jacques Derrida of Jean-François Lyotard.

 

Het halve citaat dat ze aan Karel Verhoeven, hoofdredacteur van deze krant, ontstelen om hem onrechtmatig waarheidsschroom aan te wrijven, bevestigt dit. Verhoeven laat geen twijfel bestaan over het feit dat waarheidsuitspraken mogelijk zijn, maar geeft aan hoe moeilijk ze tot stand komen: ‘De waarheid komt met horten en stoten, na veel tegenstrijdigheden. Soms komt ze nooit.’ Hoezo relativisme?

 

Spreidstand

Mijn stelregel om aan filosofie te doen, Jurgen Habermas indachtig, is dat je auteurs te goeder trouw moet lezen. Daar is in onderhavig stuk weinig van te merken. Er moet en zal worden beweerd dat het postmodernisme een ideologie is die Trump mogelijk heeft gemaakt. Argumenten die het directe verband kunnen aantonen, lees ik niet. Hoe zou het ook? Doen alsof een manipulatieve narcist die zijn macht misbruikt om president te blijven op één lijn staat met postmodernistische auteurs, is een niet vol te houden spreidstand.

 

Veel postmodernen zijn geen antimoderne relativisten. Volgens Derrida of Richard Rorty is de moderne rede niet kritisch genoeg en te snel zeker van zichzelf. Daarom hebben ze die kritiek verder doorgedreven om te tonen dat de verlichting niet stond waar ze dacht te staan: op een plaats van rustige vastheid naast het haardvuur van objectiviteit en redelijkheid. Zij bestrijden niet de waarheid op zich, maar tonen aan dat wanneer waarheidsuitspraken worden gepleegd, de redenering vaak ergens stokt of over zichzelf struikelt.

Daarmee zetten ze het werk van de verlichting voort en maken ze duidelijk dat we met kritiek nooit klaar zijn, zoals ook Verhoeven stelt. Waarom? Omdat we die kritiek hard nodig hebben om types als Trump frontaal te lijf te gaan en de onhoudbaarheid van zijn gewauwel aan te tonen. Trump is vooral geen voorbeeld van relativisme, maar van absolutisme: zijn waarheid klopt altijd, omdat hij het zegt, wat ook de feiten zijn.

 

Complottheorie

Wie daarentegen zoals Derrida aangeeft dat de mens in zijn studie van de wereld altijd op taal aangewezen blijft om de dingen bij naam te noemen en daardoor met de onherleidbare meerduidigheid van zijn aanduiding moet omgaan, is geen relativist. Zo iemand wijst op de moeilijkheid om rechtstreeks en volledig de feiten te beschrijven zoals ze zijn.

 

Daarom is en blijft kritiek nodig: omdat woorden of symbolen altijd representaties van feiten zullen zijn, nooit de feiten zoals ze zijn los van onze waarneming. Daar is niets constructivistisch of relativistisch aan. Wel wijst het op de subjectgebondenheid van onze kennis. De wereld is er nooit zomaar voor ons en behalve enkele onweerlegbare natuurwetmatigheden, zoals de zwaartekracht, blijft het behelpen om met ons beperkte kennisapparaat de wereld te ontsluiten.

 

Daarvan uitgaan heeft niets met alternatieve feiten te maken. De stelling dat het postmodernisme een ideologie is die heimelijk de geesten is binnengeslopen en ons doet stamelen wanneer het op waarheid aankomt, lijkt steeds meer op een complottheorie. Het doet mij denken aan de film Pi van Darren Aronofsky, waarin het dwalende hoofdpersonage overal in de wereld het getal zeven of een veelvoud ervan meent te ontwaren. Als ik me goed herinner, bestaat de kern van het werk van een van beide auteurs erin om ons van dit soort illusies te vrijwaren. So help me God?

 

Terug

 

Share on Facebook
Share on Twitter
Please reload