Hoera, we zijn het eens met onszelf

February 6, 2018

Vorige week wijdde deze krant een artikel aan de outing van Bo van Spilbeeck en de vraag waarom er vanop zowat alle banken openlijk applaus klonk (DS 1 februari). De steun is haar uiteraard van harte gegund, maar het gemak waarmee die tot stand kwam, is opvallend. Over fundamentele ingrepen op het menselijke lichaam zijn we meestal openlijk verdeeld – al zeker via Twitter. Over transgenders waren we dat tot voor kort ook. Dus waarom nu niet? Of we zijn het oneens, maar zeggen we het niet? En waarom dan niet?

 

Het antwoord is eenvoudig: met openlijke kritiek op transgenders valt vandaag geen winst te rapen. Zelfs niet voor conservatieven. Dus doen die er het zwijgen toe, enkele uitzonderingen niet te na gesproken. Die werden dan ook meteen weer platgemept, als waren ze stekende zomermuggen. Dat werkte blijkbaar zo ontmoedigend dat de rest het vooral bij schokschouderen of binnensmonds gemurmel liet. Jammer, want we doen er altijd goed aan om ­tegenargumenten te beluisteren. Weldoordacht conservatisme is vaak interessanter  dan gemakzuchtige vooruitstrevendheid, want dan is er tenminste nagedacht vooraleer een standpunt is ingenomen.

 

Het leek vorige week alsof we dringend nood hadden aan iemand als Bo. Om onszelf te kunnen feliciteren met onze ruimdenkendheid: ‘Kijk eens hoe weinig moeite we daar nog mee hebben; we vinden het allemaal prima!’ Transgender zijn is nochtans een complexe problematiek met een enorme sociale en emotionele impact op het leven van de betrokkenen. Er is geen weg terug, want zelfs de ingreep ongedaan maken brengt nooit de vroegere identiteit terug. En transgender worden brengt ook andere niet-vanzelfsprekende vragen met zich, zoals transmannen die vervolgens toch zwanger willen worden.

 

Hoezeer we dus ook voorstander zijn van de mogelijkheid om een nieuwe genderidentiteit aan te nemen, er is niets vanzelfsprekends aan, zeker niet voor de betrokkenen zelf. Daarom doen we er goed aan om over elke stap die we technisch kunnen zetten, de vraag te stellen naar de wenselijkheid ervan.

 

Is er over transgenders grondig nagedacht? Ik denk het wel. In enkele decennia tijd is er veel ten goede veranderd: het thema is bespreekbaar geworden, we hebben een wettelijk kader, en het emotionele aanvoelen om in het lichaam van een ander geslacht te wonen, wordt niet langer als een stoornis bekeken. Dat heet vooruitgang. Maar we zijn er nog lang niet. Transgenders worden tot op vandaag gediscrimineerd, en dat verraadt een ongemak bij een aantal mensen die nu wel de stilte bewaren maar morgen verder discrimineren. Dus doen we er goed aan om naar alle argumenten te luisteren en de bespreekbaarheid verder door te drijven. Dan gaat het niet om de vraag of transgender zijn normaal is of niet – aan onze natuur is weinig tot niets normaal en de menselijke natuur gebruiken als moreel argument is een dood spoor. De kwestie luidt eerder hoe we die ingrijpende medische veranderingen in een mensenleven in goede banen kunnen leiden en kwaliteitsvol ondersteunen. Tenslotte willen transgenders zoals alle anderen vooral een gelukkig leven leiden. Dan moeten we het hebben over de voorwaarden daartoe, zowel op individueel als op maatschappelijk niveau.

 

We zijn er dus nog niet. Daarom doet het applaus aan onszelf van vorige week een beetje masturbatoir aan. Het zegt vooral iets over de zoektocht naar moreel comfort: het is altijd fijn om het met jezelf eens te zijn. Immers, de vraag om het geslacht te corrigeren, valt vandaag wonderwel binnen de grenzen van de alom aanvaarde verzuchting naar meer zelfbeschikking zonder dat die storende gevolgen heeft voor de morele common sense. Maar nu doen alsof we allemaal zonder meer pro alle mogelijke vormen van diversiteit zijn, is een leugen. Aan alles is een grens.

 

Trouwens, het is 100 procent zeker dat ons moreel comfort de komende tijden door steeds meer uitdagingen op de proef zal worden gesteld. Ethische debatten gaan allang niet meer over speculaties omtrent onze verhouding tot wat ooit mogelijk zal zijn. Ze behandelen de vraag of we gebruik willen maken van alle mogelijkheden waarover we nu al beschikken: prenatale selectie, camera’s die ons overal volgen, het menselijke genoom modificeren of organen kweken en ja, dus ook ons lichaam herscheppen. Van alles wat we tot nu toe kunnen, is er alleen een wereldwijde ban gekomen op onderzoek naar klonen. Dat werd blijkbaar duidelijk aangevoeld als een grens. Maar het staat vast dat we de komende jaren nog vaak tegen andere grenzen zullen aanbotsen.

 

Dat hoeft niet eens problematisch te zijn. Zelfbeschikking kan wel enkele grenzen verdragen. Anders blijft ze niet werkbaar.

 

Terug

Share on Facebook
Share on Twitter
Please reload