top of page
  • Ignaas Devisch

Snuffelen aan de eigen gedachten


Protestactie in Londen, uit solidariteit met Iraanse vrouwen. © reuters

Een hond die iets ruikt, staat die plek desnoods minutenlang te besnuffelen om er daarna tegen te urineren en doodleuk voort te wandelen. Onwillekeurig moest ik daaraan denken toen we het nog maar eens over de hoofddoek hadden. Enkele uitzonderingen niet te na gesproken, weet je dan bij voorbaat wie op welke nagel zal kloppen. Daarna gaat ieder weer zijn weg tot de volgende ronde zich aandient.


Het was Theodor Adorno die in zijn Minima moralia de instinctieve manier waarop een hond omgaat met geuren vergeleek met mensen die zich fixeren op grote thema’s en er niet van los­raken. Door de oude antwoorden te herhalen, blijven we rondjes draaien en komen we niet tot zelfbezinning of nieuwe inzichten. Adorno spreekt van een ‘anachronistische onverzettelijkheid’ die ons in wilde tijden hielp te overleven maar voor een getemde diersoort als de mens een dwaas ritueel is geworden. Debatten als die over de hoofddoek lijken in dat euvel te verzanden.


Om de hondenmetafoor nog even aan te houden: wat als we niet langer aan dezelfde plekken zouden snuffelen, maar aan de eigen gedachten, om op die manier tot meer inzicht en nuance te komen? Waarom zouden we ons moeten beperken tot een­duidige symboliek? Want natuurlijk is de hoofddoek een symbool van ­onderdrukking. Tot vandaag bestaan er praktijken en tradities die ­vrouwen onder de knoet houden en zijn er landen met een dwingende politieke context die vrouwen geen keuze laten. Dat het gaat om eeuwenlange tradities, is geen argument om er vandaag nog respect voor op te brengen. Ondemocratische landen zoals Iran of Afghanistan misbruiken bovendien die tradities en veroordelen vrouwen tot een tweederangs rol. Ook in andere landen is dat tot vandaag het geval. De strijd tegen die repressie verdient onze ­volle steun.


Tegelijk zijn er (jonge) vrouwen bij wie de hoofddoek wel een persoonlijke keuze is, zonder dwang van buitenaf. Toegegeven, het is anek­dotiek, maar veel studentes zeiden me dat ze een hoofddoek dragen als een daad van verzet, omdat ze het mooi vinden en het bij hen past. Ik zie ook vrouwen die er soms een ­dragen en dan weer niet. Vanuit die optiek staat de hoofddoek symbool voor individuele zelfexpressie en keuzevrijheid. Zelfs al is het in naam van hun geloof, als een gelovige ­vrijuit kan kiezen, is die een individu en geen slachtoffer van onderdrukking. Veel tegenstanders van de hoofddoek kunnen zich die realiteit niet inbeelden. In hun ogen kan de hoofddoek niet anders dan onderdrukkend inwerken op vrouwen die dan vervolgens fundamentalistische ideeën verspreiden of jongeren ­indoctrineren. Ze dwalen. Uiteraard moeten we niet terugvallen in de ­naïeve pleidooien uit de vorige eeuw die, in naam van respect voor ieders cultuur, oogkleppen opzetten voor de politieke repressie en de traditionele praktijken waaraan wereldwijd vrouwen worden blootgesteld.

Veel studentes zeiden me dat ze een hoofddoek dragen omdat ze hem mooi vinden en hij bij hen past. Ik zie ook vrouwen die er soms een ­dragen en dan weer niet

De erkenning van een pluriforme symboliek hoeft de aandacht voor onderdrukking van vrouwen geenszins in de weg te staan. Zo valt de steun aan de strijd van Iraanse vrouwen tegen de verplichte hoofddoek best te combineren met de verdediging van de keuze van vrouwen op andere plaatsen in de wereld om die uit vrije wil te dragen. In het debat erover lukt dat nauwelijks.


Dat debat zou er bij gebaat zijn mocht ­iedere deelnemer op zoek gaan naar een sterk argument van de tegenpartij. In die ­optiek is De sofist van Plato leerzaam. Daarin wordt een dialoog opgezet over de vraag of Parmenides’ enigmatische stelling – ‘het zijnde is, het niet-zijnde is niet’ – klopt. Een vreemdeling uit Elea brengt in de ­dialoog enkele tegenargumenten aan, maar het aanwezige gezelschap duwt hem daarmee in de positie van de vadermoordenaar. Door de stelling van ‘vadertje Parmenides’ aan te vechten, is de vreemdeling de geweldenaar, omdat hij de anderen wijst op een tekortkoming in hun inzicht. Terwijl het punt waarop hij het gezelschap wijst, cruciaal van aard is: wie bereid is het eigen standpunt in twijfel te (laten) trekken, kan niet anders dan vaststellen dat onze gedachten ons in verlegenheid brengen. Dat de vreemdeling zijn toehoorders daarop wijst, maar daar een prijs voor ­betaalt, is veelzeggend. Toch beoefent hij alleen maar de methodiek van de majeutica die door scherpe vragen te stellen iemand tot inzicht laat komen, vergelijkbaar met de ­positie van de vroedvrouw bij een ­bevalling. Die eeuwenoude methodiek vandaag toepassen is niet eens zo’n gek idee. Als het cliché klopt dat de wereld complexer is geworden, moet onze manier van denken – of van snuffelen – mee evolueren. ­Opvallend genoeg leren de oude Grieken ons hierin een les, al is dat volgens Alfred North Whitehead geen toeval. Hij omschreef de ­geschiedenis van het Europese ­denken als een reeks voetnoten bij het werk van Plato. Misschien had hij gelijk.


Terug

8 weergaven
bottom of page