• Ignaas Devisch

De veralgemening van het slachtofferschap

Zowat een decennium geleden observeerde auteur Ian Buruma een trend die zich sindsdien alleen maar heeft doorgezet: de wereldwijde opwaardering van slachtofferschap. Slachtofferschap, schreef hij, kan mensen een identiteit geven en verenigend werken. Denk aan ‘je suis Charlie’, de felle reactie op de kwetsende uitspraken van Eddy Demarez afgelopen zomer­ of nu met de uitbraak van de oorlog in Oekraïne. In eerste instantie kunnen we die evolutie alleen maar toejuichen, evenals de toegenomen erkenning van grensoverschrijdend gedrag, racisme of discriminatie. De moeilijkheden ontstaan zodra we ons allemaal als slachtoffer positi­oneren, terwijl we dat niet zijn.


Het is een klassieker op sociale media: berichten met ‘je suis …’ of profielfoto’s die vervangen zijn door een symbool als blijk van mede­leven. Meteen vormt zich een groep mensen die zich verenigen vanuit het gevoel gekwetst of niet erkend te zijn. Die evolutie heeft ook een verborgen kant. Door het medeslachtofferschap te claimen, verschaffen we onszelf een eigen­handig toegekende morele bonus – ‘kijk eens wat een goed mens ik ben, want ik leef mee’. Bovendien komt het gedeelde slachtofferschap met de prijs van een leugen­.


Neem ‘je suis Charlie’. In tegenstelling tot de vermoorde redactie­leden van Charlie Hebdo zijn wij niet het slachtoffer van die aanslagen, zelfs niet het denkbeeldige, want wie zou het aandurven week na week cartoons te publiceren als je weet dat je voor je leven moet vrezen? Idem wat de oorlog in Oekraïne betreft: welke West-Europeaan is nog bereid zijn of haar leven te wagen door aan het front te vechten? Ons medeleven is oprecht, maar de echte slachtoffers zijn de Oekraïners zelf, of de Russen die tegen­ hun zin naar het front worden gestuurd.

Verontwaardiging lucht op, maar daarna is er meer nodig, zodat slachtoffers erkenning krijgen en daders inzien wat ze fout deden

De veralgemening van het slachtofferschap kent nog een keerzijde: de neiging om de positie van de aanklager in te nemen en genadelozer te worden in de eis tot bestraffing. Over gevoelens valt weinig te discussiëren, en dus heeft iedereen altijd gelijk. Nu debatten over pakweg grensoverschrijdend gedrag meer publiekelijk gevoerd worden, verschuift het juridische­ oordeel naar de openbare ruimte. Daarbij stelt de brede massa vanuit het gevoel ergens slachtoffer van te zijn eisen die een normale rechtsgang bemoeilijken. Slacht­offers verdienen vanzelfsprekend een centrale plaats in het geheel, maar de vraag is of ze de enige parameter moeten vormen bij de bepaling van een strafmaat.


Een publieke veroordeling is bovendien erger, want in tegenstelling tot een uitspraak in de rechtbank is de straf op sociale media eeuwig en wordt herstel een moeilijke zaak. Zo werd Demarez vorige zomer verketterd alsof hij Marc Dutroux was. De vraag of dat niet een beetje disproportioneel was, werd weggewuifd en geframed als komende van iemand die het probleem niet wou zien en er bijgevolg zelf deel van uitmaakte.


Als we maatschappelijke veranderingen tot stand willen brengen en geweld bestrijden, moeten we meer doen dan veroordelen wat we slecht vinden­. Verontwaardiging lucht op, maar daarna is er meer nodig, zodat slachtoffers erkenning krijgen en daders­ inzien wat ze fout deden. Mensen kunnen verschrikkelijke dingen doen, maar het blijft cruciaal erover te beraadslagen op feitelijke basis, met woord en wederwoord.


Daarnaast moeten we gradaties van geweld erkennen in functie van een gepaste veroordeling. Sommige vergrijpen zijn erger dan andere. Ze allemaal even hard verketteren heeft weinig met rechtvaardigheid te maken­, en alles met een heimelijke morele zelfgratificatie: het gevoel aan de juiste kant te staan. In een complexe wereld als de onze is morele zuiverheid doorgaans on­bereikbaar. We maken fouten of schieten tekort­ en beseffen dat goed en kwaad met elkaar­ verweven zijn, in de eerste plaats in ons eigen handelen. Morele ambivalentie is ons aller deel, dag in, dag uit. Het geclaimde slachtofferschap levert bijgevolg een winst die op we in deze verwarrende wereld niet langer ervaren. Dat we de slechtheid van de daders uitvergroten door ze als monsters of onmensen­ te omschrijven, is geen toeval. Hoe meer we het kwaad van de daders verabsoluteren en ver van ons vandaan duwen, hoe meer we zelf betere mensen lijken te zijn.


Slachtofferschap een gepaste plaats geven is zeker nodig, en de geschie­denis leert ons dat een grondige­ bijsturing nodig was. Dat we onszelf niet langer elke zondagochtend op de borst moeten kloppen en mea maxima culpa scanderen, is in die optiek een bevrijding. We dragen­ nu eenmaal niet de volle schuld van ons leed. Die vermaledijde schuldbelijdenis vervangen door mea minima culpa doet niettemin de vraag rijzen over welke bevrijding we dan precies aan het spreken zijn. Want met verontwaardiging alleen organiseer je geen rechtvaardige samen­leving.


Terug

35 weergaven