• Ignaas Devisch

De geur van 1 september



Taalspelletjes over woorden die beginnen met de letter ‘c’ brengen ons sinds dit voorjaar niet langer in ver­legenheid. Op de eerste dag van het nieuwe schooljaar kies ik er nadrukkelijk voor hét c-woord niet nogmaals uit te spreken. Trop is te veel en we mogen ons op een dag als deze niet beperken tot de vraag of alles veilig en gezond is. Natuurlijk moeten we doen wat nodig is, maar net daarom mag de eerste dag van het nieuwe schooljaar niet alleen daarover gaan. Nu overheersen het c-woord en de geur van ontsmettingsalcohol, terwijl 1 september ook moet ruiken naar opwinding, het leder van een nieuwe tas of een plasbroek.


Geur is een onderschat fenomeen als het aankomt op gemoedsgesteldheid of het gevoel ergens thuis te zijn. Boven op voelen, kijken, luisteren en proeven, maakt ruiken een belangrijke dimensie uit van ons leven. Het existentiële archief van onze geurervaringen bepaalt mee wie we zijn. De wereld niet langer proeven en ruiken – een van de ergste symptomen van het virus is het verlies aan geur en smaak – is een straf die zelfs Zeus niet heeft bedacht.


Geuren kunnen aantrekken of bedwelmen. In Het parfum van Patrick Süskind sprenkelt het afstotelijke hoofdpersonage en parfumeur Jean-Baptiste Grenouille enkele druppels van een parfum over zich in confrontatie met een schuimbekkende menigte. De volkstoeloop was tot stand gekomen om hem op het schavot ter dood te veroordelen, maar hij ontloopt zijn straf dankzij de bedwelmende odeur van het pregnante parfum, waarvoor de menigte orgiastisch in katzwijm valt.


De afgelopen maanden had iedereen het over huidhonger, maar een vervuld leven veron­derstelt zoveel meer dan elkaar aanraken

In fictie kunnen we alles naar onze­ hand zetten, maar ook in de empirische werkelijkheid is er olfactorisch gesproken veel mogelijk. De mens heeft wel degelijk een sterk ontwikkelde reukzin, alleen doen we er weinig mee. Aan kunstenaar Peter de Cupere zal het niet liggen. Zo plaatste hij een decennium geleden zijn Smelloflowers in een Nederlands tehuis voor dementerenden. De aroma’s van die objecten ondersteunen de oriëntatie in de fysieke omgeving, doordat ze appelleren aan de herinneringen van de bewoners. Dementerenden vinden zo beter de weg terug­ naar hun afdeling.


Dat schitterende initiatief verdient navolging. Er zijn andere toepassingen denkbaar. Bij misdaad­bestrijding, bijvoorbeeld, werkt men traditioneel met beelden van de mogelijke daders. Geuren zouden effectiever kunnen zijn, zelfs in tijden van DNA-onderzoek. Bij uitstek aan hun geur herkennen slachtoffers hun beulen. En waarom niet denken aan de geneeskunde? Hippocrates leerde zijn studenten nog ruiken om ziektes te herkennen. Huid ruikt en smaakt anders afhankelijk van de maaltijd die je hebt genoten. Daarover schreef sjeik Al-Nefzawi in zijn erotische traktaat De geurige tuin al in de vijftiende eeuw. Zelfs een politieke crisis heeft een geurtje, wist Francis Delpérée ons in 2007 te vertellen, toen hij de vastgelopen regeringsonderhandelingen omschreef als ‘il y a un parfum de crise’. De Wetstraat ruikt er nog steeds naar.


Op het terrein van de filosofie is geur van oudsher een weeskind. Jacques­ Derrida kaartte het eind vorige­ eeuw aan: in hun zoektocht naar de waarheid eisen filosofen sinds Plato dat ze het object in volle aanwezigheid kunnen zien. Pas dan geloven ze dat het bestaat. Geur is te weinig grijpbaar om op voort te bouwen, dacht Plato en later velen met hem. Ten onrechte. Het heeft geen zin een pikorde tussen onze zintuigen op te maken. We hebben ze alle nodig en zintuiglijkheid is een cruciale voorwaarde tot een zinvol menselijk leven­.


Filosofen als Husserl, Heidegger en Merleau-Ponty maakten het terecht tot kerninzicht van hun oeuvre: ons lijf is de toegangspoort tot de wereld. Het lijkt vanzelfsprekend, maar cultuurhistorisch is het dat allerminst. Eeuwenlang is onze zintuiglijkheid omschreven als een hinderpaal. Eerst omdat het beschouwelijke leven­ werd geprivilegieerd als het enig mogelijke pad naar de waarheid en het geluk. Daarna omdat ons lichaam­ werd aangeduid als de plaats van vleselijke zonden en alleen het ingebeelde zielenleven na de dood – zonder lichaam – ertoe deed.


Vandaag weten we beter, maar we doen er te weinig mee. De afgelopen maanden had iedereen het over huidhonger, maar een vervuld leven veronderstelt zoveel meer dan elkaar aanraken. Wat is er mooier dan je neus de weg te laten wijzen? Snuffelen aan onbekende specerijen, bereidingen, dieren, planten of mensen geven ons dagelijkse bestaan vorm en zin. Helaas, zoals we de stilte in supermarkten of liften opvullen met nietszeggende deuntjes, zo jagen we de geuren uit onze woonkamers weg met klinische luchtverfrissers. Geuren zijn blijkbaar onze vijanden, want wie ergens naar ruikt, heeft een probleem. Zo worden we langzaam maar zeker zintuiglijke dwang­neuroten.


De herwaardering van geuren is een bitterzoete noodzaak. Het leven en de liefde stellen niets voor als we er niet kunnen aan ruiken. Het bestaan zal olfactorisch zijn, of niet zijn.


Terug

115 keer bekeken

Wil u mij contacteren voor een lezing, debat of consultancy?


U kan contact met mij opnemen via onderstaand contactformulier.


Dan contacteren wij u zo spoedig mogelijk terug

CONTACT

facebook

twitter

linkedin

Foto Home © Koen Broos