• Ignaas Devisch

300 procent gemotiveerd

Dat velen dezer dagen een ­duwtje in de rug nodig hebben om het vol te houden, is weinig verrassend. Het zijn barre tijden. Tegelijk hebben die Bond-Zonder-Naam-achtige aansporingen iets irri­tants. Terwijl ons sociale leven is gere­duceerd tot een pedant keurslijf van pijltjes, kleurtjes en maskertjes, zouden we ook nog blijk moeten geven van moti­vatie. Mag het even?


Motivatie was de afgelopen jaren al een van de sleutelwoorden van ons ­sociale bestel. Werknemers moeten gemo­tiveerd zijn, partners, ouders, studen­ten, enfin zowat iede­reen, worden verondersteld er steeds opnieuw de spreekwoordelijke lap op te geven. ­Motivatie, zo wil het woordenboek, is de ‘aandrift waardoor een persoon zich tot een bepaalde zaak kan zetten’. Het klinkt natuurlijk stoer dat je altijd het beste van jezelf wilt geven, maar die totale mobilisatie is niet vol te houden. Daarom peppen we elkaar op met holle uitspraken als ‘we zijn 300 procent gemotiveerd’. Dat is drie keer 100 procent­ gemotiveerd zijn. Hoe doe je zoiets?


Hoe luider de kreet, hoe duidelijker de wanhoop die erin doorklinkt. En dat mag, want waarom erkennen we niet gewoon dat het niet gaat? Dat was voor velen al lang vóór de pandemie het geval en deze rotperiode dwingt ons tot keuzes die vroeger ondenkbaar waren.

Om het uit te houden, prefereer ik wat gitzwarte humor boven de melige slagzinnen waarmee men ons al maanden om de oren slaat

Naar verluidt mogen we vandaag niet aan gisteren terugdenken, maar als zelfs Orpheus niet weerstond aan de verleiding achterom te kijken, waarom zouden wij dan beter doen? Laten we eerlijk blijven: op scherm kijken naar een concert in een lege zaal, verjaar­dagen online vieren of elkaar wat seksfoto’s doorsturen om de boel te chaufferen: het zijn surrogaten, en dan hebben we heus geen barometer nodig om de lage stand van onze motivatie op te meten. Er valt iets voor te zeggen dat we tijdelijk onszelf voor­liegen en doen alsof we dit fijn vinden, een beetje zoals Hans Vaihinger begin twintigste eeuw voor ogen had met zijn filosofie van het alsof. Soms zijn ficties nuttig, vooral omdat er momenteel weinig anders opzit. Tegelijk is dit zelf­bedrog uitermate efemeer en moeten we de verdringing gaande houden om de realiteit niet te moeten zien. Kijk wat er allemaal nog mogelijk is, zo maken we elkaar dan wijs. Of meer dreigend: waag het niet te klagen over eenzaamheid tijdens de kerstperiode, terwijl mensen in de zorg en daarbuiten dag en nacht keihard werken om ons hier door te sleuren.


Het heeft iets vals om bij het minste zuchtje geklaag het dreigement van respect­loosheid voor ande­ren op tafel te leggen. Alsof je anderen slechter beje­gent omdat je het zelf even niet volhoudt­. Idem dito voor de manke ver­gelijking met de Tweede Wereldoorlog waarmee men mopperende jongeren de mond snoert. Zeker, de bombardementen van ‘den Duits’ waren erger dan je vrienden niet ontmoeten; en een feesttafel missen valt niet te vergelijken met kanker; of neen, een skivakantie weegt niet op tegen overlijdens. Sowieso moeten we weinig vertrouwen hebben in morele dreigementen. Wie in casu­ de expres­sieruimte van lijden begrenst tot levensbedreigende zaken, verschraalt de invulling van het goede leven tot een kwestie van overleven, terwijl we vanaf de jaren 50 toch beter wilden doen dan koudweg de volgende ochtend te halen.


Tot voor kort stond leven gelijk met minstens het uitzicht op zelfrealisatie. Dat behelst veel meer dan voldoende voedsel en een dak boven ons hoofd. Daarom dat covid-19 zoveel sociaal ongemak veroorzaakt, boven op het fysieke leed van de mensen die de ziekte doormaken. Veel van wat het leven de moeite waard maakt, is er momenteel niet. Dan lijkt het beter de rauwe realiteit te erkennen dan te doen alsof we er een goed gevoel bij hebben.

Uit die harde confrontatie kunnen we trouwens veel leren. De Roemeense schrijver en filosoof Emile Cioran schreef het al in zijn Le livre des leurres: ‘Vanop onze ruïnes­ komen we te weet wie we zijn.’ Als bijvoorbeeld blijkt dat we er inderdaad niet in slagen gelukkig te zijn zonder sociale contacten, is dat een cruciale les voor de toekomst en moeten we het enge beeld van het vrije en op zichzelf staande individu grondig bij­stellen.


Kunnen we ondertussen ophouden met positief maken wat intrinsiek negatief wordt ervaren? Toe­gegeven, het is een kwestie van smaak, maar om het uit te houden, prefereer ik wat gitzwarte humor boven de melige slagzinnen waarmee men ons al maanden om de oren slaat. Weinig werkt meer bevrijdend dan te lachen met je eigen ellende. Dus, Michael Van Peel, Steven Mahieu­ of Kamal Kharmach: bevrijd ons uit de dodelijke ernst van deze periode­. Ondertussen houden we het vol, zo goed als het gaat. Omdat het nu inderdaad is wat het is.


Terug

75 keer bekeken